Kies de multi die bij jou past


11 november 2019

U heeft uiteraard al gemerkt dat de laatste tijd de voedingssupplementen onder vuur liggen: ze worden vaak overbodig tot nutteloos en soms zelfs schadelijk genoemd.

Geef deze tegenstanders van natuurlijke middelen geen voedingsbodem voor kritiek, want er bestaan jammer genoeg helaas heel wat voedingssupplementen met een slechte samenstelling en van een minderwaardige kwaliteit.

Voor wat betreft de voedingssupplementen op basis van mineralen en vitaminen delen we graag de belangrijkste tips van Dr Geert Verhelst om het kaf van het koren te scheiden.

Bioactieve vormen van mineralen en vitaminen voor een optimale werking van voedingssupplementen

Niet zelden lezen we in een krant of een tijdschrift, uiteraard gestuurd vanuit de farmaceutische industrie, dat voedingssupplementen nutteloos zouden zijn. Onzin natuurlijk, want niet alleen is er de laatste 70 jaar een gestage afname opgetreden in de nutritionele waarde van landbouwgewassen, ook de behoeften van de westerse mens liggen door zijn veeleisende levenswijze en door de sterke toxische belasting steeds hoger. Maar tegenstanders hebben soms wel een punt als ze stellen dat voedingssupplementen onwerkzaam of zelfs schadelijk kunnen zijn, want er zijn helaas ook minderwaardige producten op de markt. Waarop moeten we letten als we de beste resultaten willen behalen met voedingssupplementen op basis van vitaminen en mineralen? Mineralen: de opname primeert
“Het is niet wat je inneemt, maar wat je opneemt, wat telt”, is misschien wel het belangrijkste leidmotief verband met mineralen.

Vooral bepaalde minerale zouten, dat zijn eigenlijk zeer innige verbindingen tussen positieve en negatieve ionen, splitsen vaak zo moeilijk in maag en darmen dat ze nauwelijks geabsorbeerd worden. Wat zijn de belangrijkste tips?

Magnesium:

wellicht de goedkoopste vorm van magnesium is magnesiumoxide. Helaas is er heel wat maagzuur nodig om dit zeer innig gebonden zout goed te splitsen en opneembare magnesium vrij te stellen. Heel wat mensen en dit zeker vanaf een bepaalde leeftijd (en nog meer als ze maagzuurremmers slikken), zullen dan ook nauwelijks magnesiumoxide splitsen, waardoor ze weinig magnesium eruit opnemen en waardoor de ongesplitste magnesium niet zelden maagdarmlast geeft of zelfs tot diarree leidt.

Andere slecht opneembare magnesiumzouten zijn magnesiumsulfaat, magnesiumchloride en magnesiumcarbonaat. Magnesiumzouten die al veel beter splitsen, zijn magnesiumcitraat en magnesiumglycerofosfaat. Maar hou er wel mee rekening dat hier de vrijgestelde magnesium in maag en darmen voor zijn opname in “competitie” treedt met calcium uit de voeding en dat langdurige eenzijdige inname van deze magnesiumzouten een calciumgebrek kan uitlokken. De beste opname van magnesium wordt verkregen als ze “gecheleerd” is of gebonden aan een aminozuur zoals glycine (magnesiumbisglycinaat) of taurine (magnesiumtauraat). Gecheleerde magnesium wordt ook bij maagzuurgebrek goed opgenomen en wordt als een geheel opgenomen, zodat ze de opname van calcium niet afremt. Het enige nadeel is het feit dat ze heel wat volume inneemt. Minder volumineus en zeer goed opneembaar is de zogenaamde “liposomale” magnesium, waarbij de minder goed opneembare magnesiumoxide door omhulling met lecithine en sucrose-esters van vetzuren, nu wel zeer vlot geabsorbeerd wordt.

Calcium:

hier is vooral de zeer moeilijk te splitsen calciumcarbonaat te vermijden. Dan levert de beter splitsbare calciumcitraat meer goed opneembare calcium aan;
alleen moeten we weer opmerken dat langdurige eenzijdige inname van deze calciumvorm door competitie de bloedspiegel van magnesium kan verlagen. Een zeer interessante calciumbron is het algje Lithothamnium calcareum. Als dit algje afsterft, laat het een skelet na van zeer goed opneembare zouten, voorop calciumzouten. Deze zullen bovendien de bloedspiegel van “antagonist” magnesium niet verlagen, want in Lithothamnium zitten ook goed opneembare magnesiumzouten. Verder is gecheleerde of aan het aminozuur glycine gebonden calciumbisglycinaat uiteraard ook een goede (maar duurdere en meer volumineuze) keuze. • Zink: gecheleerde zinkbisglycinaat en – zink-L-methionine zijn de beste keuzes voor zink. Beter dan zinkzouten zoals zinkcitraat, zinkgluconaat en zinkpicolinaat en vooral veel beter dan zinkoxide.

• IJzer:

gecheleerde ijzerbisglycinaat is de allerbeste keuze voor ijzer ; veel beter dan de ijzerzouten ijzersulfaat, ijzergluconaat, ijzeraspartaat en ijzerfumaraat. Klinische studies tonen aan dat je door de betere opname van ijzerbisglycinaat, hiervan 4 maal minder ijzer dan via ijzersulfaat moet aanvoeren voor een zelfde gunstig effect bij bloedarmoede. Maar vooral interessant is dat dat deze ijzervorm ook veel beter wordt verdragen met minder maag- en darmlast en minder constipatie.

• Selenium:

de allerbeste keuze is seleniumgist, waarbij biergist voor ons anorganische seleniumzouten omzet in organische, natuurlijke, gecheleerde en dus goed opneembare seleniumchelaten, voorop selenomethionine en selenocysteïne. Eventueel kan gekozen worden voor preparaten met 100 % gecheleerde selenomethionine. Deze organische vormen vertonen – alhoewel het gebruik ervan in België onterecht streng beperkt wordt – niet dezelfde potentiële toxiciteit van de te vermijden anorganische selenieten en selenaten (die zich gedragen zich als zware metalen).

• Jodium:

de allerbeste keuze is “liposomale” jodium, waar natriumjodaat omhuld is door fosfatidylcholine uit lecithine . Die neemt beter op dan jodiumzouten (vnml natriumjodaat, kaliumjodide) en ook beter dan jodium in kelp of andere zee-algen, maar neemt wel meer volume in.

• Silicium:

natuurlijke siliciumverbindingen (in gierst, gerst, heermoes, brandnetel, bamboe) bestaan uit lange ketens van orthosiliciumzuur, die moeilijk gesplitst worden en dit zeker bij maagzuurgebrek. Als deze ketens enzymatisch gesplist of “gehydrolyseerd” worden, dan leveren ze het al beter opneembare en geïsoleerde orthosiliciumzuur (OSA) op. Nog beter zijn cholinegestabiliseerd orthosiliciumzuur (ch-OSA), dat zijn werkzaamheid in klinische studies heeft bewezen, en of andere vormen van orthosiliciumzuur die gestabiliseerd zijn op maltodextrine of gehydrolyseerde collageen. Zo zorgt choline in cholinegestabiliseerd orthosiliciumzuur niet alleen voor een stabiele vorm, maar vooral voor een betere passage door de celmembranen en dus voor een optimale werking.

• Zwavel:

de allerbeste en eigenlijk enige voor de hand liggende keuze is de natuurlijke, organische molecule methylsulfonylmethaan (MSM), een neutrale en kleine molecule die vlot wordt opgenomen en die zeer veilig is.

• Chroom:

de beste keuze is chroomgist, waarin chroom organisch gebonden is aan aminozuren; die is evenwel nog niet zo lang toegelaten. Andere, vrij goed opneembare vormen zijn chroompicolinaat en chroomnicotinaat.

• Mangaan en koper:

zijn beschikbaar in de goede opneembare gecheleerde vormen (bisglycinaten)

Vitaminen: bioactief en direct werkzaam

Voor vitaminen komt het er vooral op neer dat ze in hun natuurlijke, bioactieve vormen worden aangevoerd. Dan pas kunnen ze – als de maximale dosis gerespecteerd wordt – nuttig en veilig zijn. Om vitaminen in een slecht daglicht te plaatsen, schermen tegenstanders van voedingssupplementen bijna steeds met de CARET-studie, waarbij synthetische en geïsoleerde bètacaroteen kans op longkanker verhoogde en de SELECT-studie waarbij synthetische D,L alfa-tocoferol (voor de helft bestaande uit het voor het lichaam totaal onbekende L-alfa-tocoferol) het risico op prostaatkanker verhoogde. Maar de in die studies gebruikte vitaminen zijn dus helemaal niet representatief voor de correcte vormen van die vitaminen. Wat zijn de beste adviezen in verband met vitaminen?

– Vitamine E:

we beginnen met deze vitamine, omdat die ons eigenlijk de lakmoesproef oplevert om een goed van een slecht voedingssupplement te onderscheiden. Van zodra een voedingssupplement de hierboven reeds aangehaalde D,L-alfa-tocoferol bevat, is het echt te mijden. Iets beter is een supplement dat het door het lichaam gekende D-alfa-tocoferol bevat, maar dan mankeer je onder andere de op bepaalde terreinen veel belangrijkere gamma-tocoferol. Want vitamine E is eigenlijk een complex van 4 tocotoferolen en 4 tocotriënolen. Het betere voedingssupplement voert dan ook vitamine E aan onder de vorm van “gemengde tocoferolen” (bv een zonnebloemolie- of sojaolieconcentraat) en/of onder de vorm van “gemengde tocotriënolen” (bv een concentraat van rode palmolie).

– Vitamine B-complex:

ook het van nabij bekijken van de vitamines B in een voedingssupplement, laat ons snel toe het kaf van het koren te scheiden. Let in de eerste plaats op vitamine B6 en mijd daarvan zeker de in hogere doses potentieel neurotoxische pyridoxinehydrochloride; de bioactieve en veilige vorm is pyridoxal-5’-fosfaat. Vermijd voor vitamine B9 of B11 de vorm foliumzuur en neem alleen genoegen met de direct werkzame calcium L-methyltetrahydrofolaat. Wat betreft vitamine B12 laat je cyanocobalamine en hydoxycobalamine links liggen ten voordele van methylcobalamine en/of adenosylcobalamine.

– Vitamine A:

zoals hoger reeds gesteld is de synthetische vorm van bètacaroteen absoluut te mijden. Zelfs natuurlijke bètacaroteen is niet de beste keuze, want door deze geïsoleerd toe te dienen, mis je de synergie van de ganse familie van de carotenen. Daarom zijn “gemengde carotenen” (bv concentraat uit rode palmolie) de betere optie. Of neem je gewoon een goede kwaliteit van spirulina of chlorella in; dat zijn “bommen” van gemengde carotenen. Wat we wel moeten beseffen is dat carotenen, met voorop bètacaroteen, nog steeds maar “provitamine A” aanleveren. Amper 45 % van de mensen zet die voldoende om in de eigenlijke vitamine A of retinol. Een goed voedingssupplement dat vitamine A aanvoert, moet dus ook retinol bevatten: onder de vorm van retinylacetaat of retinylpalmitaat.

– Vitamine C:

synthetische, natuuridentieke L-ascorbinezuur is een goede vitamine C-bron, uiteraard enkel als ze zuiver is. Wie de bij vitamine C horende bioflavonoïden erbij wenst, kan het volumineuze en duurdere acerolakersextract kiezen of kan gaan voor L-ascorbinezuur in combinatie met geconcentreerde bioflavonoïden uit bv rozenbottel en/of citrusschillen. Als de zure L-ascorbinezuur in zeer hoge dosis (bv in bepaalde kankertherapieën) problemen oplevert, dan kan men de gebufferde calcium- , magnesium-, kalium- en zink-L-ascorbaat inzetten. Er bestaan ook goed
opneembare veresterde vormen van vitamine C en liposomale vormen van vitamine C

– Vitamine D:

de biologisch meest actieve vorm van vitamine D is vitamine D3 of cholecalciferol. Voor wie problemen heeft met de dierlijke afkomst ervan (meestal wolvet of lanoline, belicht met UV-stralen): er bestaat de minder actieve Vitamine D2 uit paddenstoelen en tegenwoordig zijn ook plantaardige bronnen van vitamine D3 beschikbaar, doorgaans uit lichen (bepaalde korstmos) gehaald.

– Vitamine K:

bestaat uit twee vormen, K1 en K2. De beste vorm van vitamine K1 is fyllochinon. De meest actieve vorm van vitamine K2 is menaquinone-7 en die wordt best aangevoerd onder de vorm van een natto-extract (gefermenteerde sojabonen of kikkererwten).

– Co-enzym Q10:

deze stof is in de strikte zin geen vitamine, omdat we ze voor een deel ook in de lever aanmaken. Maar heel wat mensen halen ze te weinig uit de voeding en anderen maken er te weinig van aan, omdat ze bv cholesterolverlagende statines innemen. De beste vorm van co-enzym Q10 is zonder twijfel ubiquinol: dat is de gereduceerde en dus direct werkzame vorm van dit antioxidans. De andere vorm, ubiquinone, is zeker niet slecht, maar moet nog tot de actieve ubiquinol worden omgezet. Ubiquinone vind je vooral terug in “droge” voedingssupplement omdat daarin de olieachtige substantie ubiquinol niet of moeilijk kan verwerkt worden.

Deel dit bericht!